De gemeenteraad stelde bij besluit van 22 juni 2015 een belasting vast op de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten op haar grondgebied. In artikel 1 van dit besluit werd bepaald dat de heffingstermijn van de jaarlijkse belasting start op 1 januari 2014 en eindigt op 31 december 2019.
Het besluit werd door de gouverneur van de Provincie Antwerpen geschorst op 27 juli 2015 vanwege strijdigheid met artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat een wet alleen voor het toekomende beschikt en dus geen terugwerkende kracht heeft.
Het besluit van 22 juni moet worden ingetrokken en een nieuw besluit moet worden genomen.
Het huidige belastingsreglement beschrijft niet:
Wijze van opname en beroepsprocedures
De beschrijving van de wijze van opname in de gemeentelijke inventaris via een beschrijvend verslag en een administratieve akte is echter een voorwaarde om een gemeentelijke inventaris aan te leggen en om op de geïnventariseerde gebouwen een belasting te kunnen heffen.
De belastingsplichtigen moeten ook geïnformeerd worden over de beroepsprocedures en hoe zij de schrapping uit de gemeentelijke inventaris kunnen aanvragen.
Heffing
Heffing op basis van straatgevellengte
Een andere motivatie tot aanpassing van het reglement is de wijze waarop de heffing wordt berekend. Deze wordt berekend via de straatgevellengte van het gebouw en het aantal bouwlagen.
De exacte straatgevellengte is echter moeilijk te kennen indien een opmetingsplan van de huidige toestand ontbreekt dat door een landmeter-expert is opgesteld en door de eigenaar(s) mee is ondertekend.
Ruimte Vlaanderen doet bij vaststellingen van leegstand en verwaarlozing ook geen opmetingen van de straatgevellengte of van de totale lengte van de gebouwen.
Ontbreken van een opmetingsplan
De grafische voorstelling van het gebouw op een kadasterplan (ook bij Orbit en Cadgisviewer MinFin) geeft slechts een vermoeden van de gevellengte. Bovendien geven verschillende metingen via het kadasterplan geen éénduidig resulaat. Het Kadaster heeft ook geen juridische waarde. Het spreekt voor zich dat een eigenaar bezwaar kan indienen tegen de heffing op basis van de straatgevellengte.
Een door de eigenaar ondertekend opmetingsplan is het enige document dat 'een zekere' waarde van straatgevellengte kan geven.
Om betwistingen over de 'onbekwaamheid' in opmetingen en het verkrijgen van toegang tot het perceel door te eigenaar voor opmeting te vermijden, is een andere berekeningsmethode voor de heffing aangewezen.
Verhouding straatgevellengte tot de totale gevellengte en tot de totaaloppervlakte
Een andere struikel-element is de verhouding van de belastbare straatgevellengte tot de totale straatgevellengte, en zelfs tot de totale oppervlakte van het gebouw.
Deze methode is ook niet ideaal voor grote percelen waarvan slechts een zeer klein gedeelte van het erop aanwezige gebouw verwaarloosd is.
Heffing via het kadastraal inkomen (KI)
Daarom is het opportuun om de belasting te heffen via het kadastraal inkomen. Deze berekeningsgrondslag wordt gebruikt door Ruimte Vlaanderen.
Het kadstraal inkomen vormt de basis voor de inning van de onroerende voorheffing en voor de bepaling van het onroerend inkomen dat wordt belast in de personenbelasting. Dit bedrag is gekend en goedgekeurd door de eigenaar waardoor hij hierop geen bezwaar kan indienen.
Deze methode is echter opnieuw niet ideaal voor percelen die één groot perceel vormen en waarvan slechts een zeer klein gedeelte van het erop aanwezige gebouw verwaarloosd is.
Daarom is het in deze situaties aangewezen om eventueel met een minimumbedrag te belasten.
Toepassing
Ruimte Vlaanderen past 4 tarieven toe op telkens een deel van het kadastraal inkomen voor de berekening van de heffing:
| Toepasselijke schijf van het KI (in euro) | Heffingspercentage |
| 0 - 12 350 | 150% |
| 12.351 - 37 150 | 125% |
| 37.151 - 74 350 | 100% |
| meer dan 74 350 | 75% |
De heffing bedraagt nooit minder dan 3 700 euro.
Voor de heffing van niet-landbouwbedrijven komt het bedrag van de heffing bovendien minstens overeen met een tarief van 2,47 euro/m² oppervlakte van het grondvlak van het terrein, namelijk een kadastrale oppervlakte die vastgelegd is door het Kadaster.
Het gebruik van deze methode heeft trouwens hogere heffingsbedragen tot gevolg. Daarom is het eventueel wenselijk een maximum percentage van de heffing van het Vlaamse Gewest als basisbedrag voor de belasting te gebruiken.
Omdat deze belasting als doel heeft de houders van het zakelijk recht ertoe aan te moedigen om de leegstand en/of de verwaarlozing van het gebouw zo spoedig mogelijk op te lossen en niet om zoveel mogelijk inkomsten te genereren, is het percentage van 60% te verantwoorden, net als het behoud van de verhoging met 25% per bijkomende nieuwe termijn van twaalf maanden dat de bedrijfsruimte leeg staat of verwaarloosd is.
Een nieuw ontwerp van het belastingsreglement is in bijlage opgenomen.
Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsgebouwen.
Dit decreet regelt de bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaalozing van bedrijfsgebouwen.
Decreet van 15 juli 2005, artikels 42 en 43, § 2, 15°.
De gemeenteraad regelt alles wat van gemeentelijk belang is en is bevoegd voor het vaststellen van gemeentebelastingen en retributies.
Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Dit decreet regelt de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de gemeentebelasting.
Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1997 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsgebouwen.
Dit besluit regelt de inning van de heffing.
Raadsbesluit van 16 december 2013.
Dit besluit regelt de bestrijding van leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten tot en met 31 december 2019.
Raadsbesluit van 24 maart 2014
Het belastingsreglement op bestrijding van leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten wordt goedgekeurd door de gemeenteraad.
Raadsbesluit van 22 juni 2015
De raad keurt het belastingsreglement goed ter bestrijding van leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten tot en met 31 december 2019.
Besluit van de provinciegouverneur van 27 juli 2015
Het belastingsreglement ter bestrijding van leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2019 wordt geschorst.
De raad keurt de intrekking van het belastingsreglement, dat goedgekeurd werd op de gemeenteraad van 22 juni 2015, ter bestrijding van leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten goed.
De raad keurt het belastingsreglement goed ter bestrijding van leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten startend op 1 januari 2016 en eindigend op 31 december 2019.
Heffingstermijn
Voor een termijn van 5 jaar, die start op 1 januari 2016 en eindigt op 31 december 2019, wordt jaarlijks een belasting geheven op leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten op het grondgebied van de gemeente.
Toepassingsgebied.
§1. Terminologie
A. Bedrijfsruimte:
De verzameling van alle percelen waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt, als één geheel te beschouwen en die toebehoren aan dezelfde eigenaar. Deze verzameling heeft minstens een oppervlakte van 5 aren.
Uitgesloten is het perceel waarop zich een bedrijfsgebouw bevindt waarin de woning van de eigenaar een niet-afsplitsbaar onderdeel uitmaakt en dat nog effectief wordt benut als verblijfplaats.
Een woning wordt als afsplitsbaar beschouwd ten opzichte van het bedrijfsgebouw indien zij na het slopen van het bedrijfsgebouw als een afzonderlijke, volwaardige woning kan worden beschouwd die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
B. Bedrijfsgebouw:
Elk gebouw of gedeelte van een gebouw waarin een economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt.
C. Economische activiteit:
Iedere industriële, ambachtelijke, handels-, diensten-, landbouw-of tuinbouw-, opslag-of administratieve activiteit. Deze activiteit is bepalend door welke de laatste hoofdactiviteit is of was, en voor nieuwe bedrijfsruimten, welke de bestemming is of was die aan het bouwen in de stedenbouwkundige vergunning werd gegeven.
D. Geheel of gedeeltelijke leegstaande bedrijfsruimte:
Vanaf het ogenblik dat een bedrijfsruimte voor meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen niet effectief wordt benut gedurende een termijn van minstens 12 opeenvolgende maanden. Het gebruik van de ruimte dient rationeel te zien.
E. Gehele of gedeeltelijke verwaarlozing:
Een bedrijfsruimte wordt als verwaarloosd beschouwd wanneer zij uitgesproken gebreken van algemene of beperkte omvang vertoont aan buitenmuren, schoorstenen, dakbedekking, dakgebinte, buitenschrijnwerk, buitentimmerwerk, kroonlijst, dakgoten, trappen of liften.
Er is sprake van beperkte verwaarlozing als het gebrek betrekking heeft op de helft of minder dan de helft van de oppervlakte, de lengte of de breedte, met andere woorden, als de verwaarlozing plaatselijk, niet uitgebreid, lokaliseerbaar is.
Er is sprake van algemene verwaarlozing als het gebrek zich voordoet over meer dan de helft van de oppervlakte, de lengte of de breedte.
Een dergelijke ruimte wordt in de gemeentelijke lijst opgenomen als de bedrijfsruimte minimaal twee beperkte gebreken of één algemeen gebrek vertoont.
Gebreken van welke omvang ook die de stabiliteit of de veiligheid in het gedrang brengen, leiden steeds tot opname in de gemeentelijke lijst. Hetzelfde geldt voor bedrijfsruimten die met vochtproblemen kampen.
F. Gemeentelijke inventaris en administratie:
Het instrument dat alle leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten bevat die aan de belasting kunnen worden onderworpen. Dit instrument wordt door de administratie beheerd. De administratie is de gemeentelijke administratieve eenheid die door het gemeentebestuur wordt belast met het beheer van de gemeentelijke inventaris.
G. Zakelijk gerechtigde/eigenaar:
De houder van een van de volgende zakelijke rechten met betrekking tot een bedrijfsruimte:
- de volle eigendom
- het recht van opstal of van erfpacht
- het vruchtgebruik
H. Beveiligde zending
Eén van de hiernavolgende betekeningsbewijzen:
- een aangetekend schrijven
- een afgifte tegen ontvangstbewijs
- elke door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarop de datum van kennisgeving met zekerheid wordt vastgesteld.
§2. Belastbaar feit
De belasting op leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten wordt geheven op de bedrijfsruimten die voorkomen in de gemeentelijke inventaris, zoals bedoeld in artikel 2 § 1.F. gemeentelijke inventaris.
De belasting is voor het eerst verschuldigd op 1 januari van het aanslagjaar volgend op de eerste periode van 12 maanden na de vaststelling van de toestand van leegstand en verwaarlozing.
Gemeentelijke inventaris
§1. Bevoegdheid:
Onverminderd de toepassing van 89bis van het Wetboek van strafvordering en overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, hebben de ambtenaren van de administratie toegang tot de bedrijfsruimte om alle voor de inventarisatie noodzakelijke opsporingen en vaststellingen te verrichten.
§2. Gemeentelijke inventaris:
De administratie houdt een gemeentelijke inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten bij.
§3. Inventarisatie van leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten:
A. De inventarisatiedatum:
a) de opname in de gemeentelijke inventaris gebeurt op datum van de administratieve akte van leegstand voor leegstaande bedrijfsruimten, en op datum van de administratieve akte tot vaststelling van de verwaarlozing voor verwaarloosde bedrijfsruimten.
b) nieuwe, doch leegstaande bebouwde onroerende goederen worden pas in de gemeentelijke inventaris geregistreerd na het verstrijken van een termijn van 2 jaar na de eerste betekening van het kadastraal inkomen zoals bepaald in artikel 495 WIB, onverminderd de bepalingen van artikel 497 tot en met 503 WIB.
c) Bedrijfsruimten waarvan meer dan 50% van de totale vloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen leegstaat door de stopzetting van de economische activiteit overeenkomstig te voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden pas in de gemeentelijke inventaris geregistreerd na het verstrijken van een termijn van 5 jaar. Deze termijn gaat in vanaf de volledige stopzetting, bedoeld in artikel 4, 1°, van het Decreet van 19 april 1995.
B. Wijze van opname in de gemeentelijke inventaris:
a) Een leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimte wordt opgenomen in de gemeentelijke inventaris aan de hand van een genummerde administratieve akte, waarbij een fotodossier en een beschrijvend verslag, met vermelding van de elementen die de leegstand of verwaarlozing staven, gevoegd worden.
De ambtenaren van de administratie zijn bevoegd om leegstand en/of verwaarlozing van een bedrijfsruimte op te sporen en in een administratieve akte vast te stellen.
b) Het vermoeden van leegstand kan mede gebeuren op basis van één of meer van onderstaande indicaties:
C. In de gemeentelijke inventaris worden echter niet opgenomen:
a) Bedrijfsruimten waarop een onteigeningsbeslissing rust, of waar een procedure tot onteigening is ingezet, of waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning meer wordt afgeleverd omdat een onteigeningsplan wordt voorbereid.
b) Bedrijfsruimten die in het kader van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van de monumenten en stads- en dorpsgezichten beschermd zijn als monument of stads- en dorpsgezicht of die bij ministerieel besluit zijn opgenomen in een ontwerp van lijst tot bescherming in het kader van dit decreet.
c) Een kadastraal perceel waarop zich een bedrijfsgebouw bevindt waarin de woning van de eigenaar(s) een niet-afsplitsbaar onderdeel uitmaakt van het gebouw én nog effectief wordt benut als verblijfsplaats. Een woning wordt als afsplitsbaar beschouwd ten opzichte van de bedrijfszone indien zij na sloping van het bedrijfsgebouw als een afzonderlijke volwaardige woning kan worden beschouwd die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
D. Kennisgeving en beroepsprocedure:
a) De zakelijk gerechtigde wordt per beveiligde zending in kennis gesteld van de beslissing tot opname in de gemeentelijke inventaris. De kennisgeving omvat zowel de administratieve akte als het beschrijvend verslag.
b) Binnen een termijn van 30 dagen, ingaand de dag na deze van de betekening van het aangetekend schrijven, zoals vermeld hiervoor, kan een zakelijk gerechtigde bij het college van burgemeester en schepenen beroep aantekenen tegen deze beslissing tot opname in de gemeentelijke inventaris.
Het beroep wordt per beveiligde zending betekend.
Het beroepsschrift moet gedagtekend zijn en moet minimaal volgende gegevens bevatten:
Als het beroepsschrift ingediend wordt door de persoon die optreedt namens de zakelijk gerechtigde; voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
De indiener voegt bij het verzoekschrift de overtuigingsstukken die hij nodig acht.
c) Zolang de indieningstermijn van 30 dagen niet is verstreken, kan een vervangend beroepschrift ingediend worden, waarbij het eerdere beroepschrift als ingetrokken zal worden beschouwd.
d) Elk inkomend beroepsschrift wordt in de gemeentelijke inventaris geregistreerd en aan de indiener wordt er volledig- en ontvankelijkheidsbewijs verstuurd. Dit gebeurt door de beroepsinstantie (het college of één of meerdere personeelsleden aan wie het college deze bevoegdheid heeft gedelegeerd.
e) Het beroep is alleen onontvankelijk:
Als het beroepsschrift onontvankelijk is, deelt de beroepsinstantie dit mee aan de indiener met de vermelding dat de procedure als afgehandeld wordt beschouwd.
f) De beroepsinstantie onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften op stukken als de feiten vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling of met een feitenonderzoek, dat uitgevoerd wordt door de met de opsporing van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten belaste ambtenaar.
Het beroep wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot de bedrijfsruimte wordt geweigerd of verhinderd voor het feitenonderzoek.
g) Het college doet uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van 90 dagen, ingaand de dag na deze van de betekening van het beroepsschrift. De uitspraak wordt per beveiligende zending betekend.
Als het college het beroep gegrond acht, of nalaat binnen de termijn van 90 dagen kennis te geven van zijn beslissing, kunnen de eerder gedane vaststellingen geen aanleiding geven tot een nieuwe beslissing tot opname in de gemeentelijke inventaris.
h) Indien de beslissing tot opname in de gemeentelijke inventaris niet tijdig wordt betwist, of het beroep van de zakelijk gerechtigde onontvankelijk of ongegrond is, neemt de administratie de bedrijfsruimte in de gemeentelijke inventaris op vanaf de datum van de vaststelling van de leegstand en/of de verwaarlozing.
E. Schrapping uit de gemeentelijke inventaris
Een geregistreerde bedrijfsruimte wordt uit de gemeentelijke inventaris geschrapt ten gevolge van de beëindiging van de gehele of een gedeeltelijke leegstand en/of verwaarlozing, een onteigeningsbeslissing, of een opname bij ministerieel besluit in een ontwerp van lijst tot bescherming in het kader van het decreet van 3 maart 1976 ter bescherming als monument of stads- en dorpsgezicht.
a) een leegstaande bedrijfsruimte wordt uit de gemeentelijke inventaris geschrapt eens een zakelijk gerechtigde bewijst dat meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte aangewend wordt voor een economische activiteit, zoals bedoeld in artikel 2§1.C., en dit gedurende een termijn van ten minsten 6 opeenvolgende maanden
Een (handels)huurovereenkomst kan echter nooit als bewijs gelden voor de beëindiging van de leegstand van een bedrijfsruimte, aangezien deze geen enkele aanwijzing geeft omtrent de effectieve benutting van een bedrijfsruimte.
De datum van schrapping is de eerste dag van de aanwending.
b) Een verwaarloosde bedrijfsruimte wordt uit de gemeentelijke inventaris geschrapt na opmaak van een gunstig controleverslag.
De datum van schrapping is de dag van de opmaak van het gunstig controleverslag.
c) Voor de schrapping uit de gemeentelijke inventaris richt de zakelijk gerechtigde een gemotiveerd verzoek aan de administratie, op de wijze, vermeld in artikel 3 § 3.D.b. van dit reglement (zelfde procedure als voor een beroepsschrift).
d) De administratie onderzoekt of er redenen zijn tot schrapping en neemt een beslissing binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het verzoek.
De bepalingen vermeldt in artikel 3 § 3.D.f. van dit reglement, zijn voor het onderzoek van toepassing. De administratie brengt de verzoeker op de hoogte van haar beslissing met een beveiligde zending.
Berekeningsgrondslag.
§1. De belasting is ondeelbaar voor het hele aanslagjaar verschuldigd.
§2. De berekeningsgrondslag is de heffing van het Vlaamse Gewest in toepassing van het decreet van 19 april 1995. De heffing wordt berekend op basis van het geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) zoals gekend op 1 januari van het aanslagjaar. Het wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Het indexcijfer van 1 januari 1995 geldt als basisindexcijfer.
Niet alleen het KI van het perceel dat de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimte uitmaakt zelf wordt meegeteld, maar eveneens het KI van alle opstanden op het perceel.
Voor de niet-landbouwbedrijven wordt daar bijkomend het KI bijgeteld van alle aangrenzende percelen die één geheel vormen met de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimte, als ze van dezelfde eigenaar zijn.
Voor de berekening van de heffing worden 4 tarieven toegepast op telkens een deel van het kadastraal inkomen :
Toepasselijke schijf van het KI (in euro) Heffingspercentage
0 – 12.350 150 %
12.351 – 37.150 125 %
37.151 – 74.350 100 %
meer dan 74.350 75%
De heffing bedraagt nooit minder dan 3 700 EUR.
Voor de niet-landbouwbedrijven komt het bedrag van de heffing bovendien minstens overeen met een tarief van 2,47 EUR/m² oppervlakte van het grondvlak van het terrein, zijnde de kadastrale oppervlakte zoals vastgelegd door de diensten van het kadaster.
Tarieven.
Het basisbedrag van de belasting bedraagt 60% van de heffing van het Vlaamse Gewest.
De minimumaanslag per bedrijfsruimte bedraagt 3 700 euro.
De belasting verhoogt met 25 % per bijkomende nieuwe termijn van 12 maanden dat de bedrijfsruimte leeg staat of verwaarloosd is.
Belastingplichtige.
§1. Als belastingplichtige wordt beschouwd de zakelijk gerechtigde, zoals bedoeld in artikel 2 §1.G. Indien er een recht van opstal, erfpacht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door diegene die op het ogenblik van de opname in de gemeentelijke inventaris houder is van dat recht.
§2. Zolang de bedrijfsruimte niet is geschrapt uit de gemeentelijke inventaris, is de zakelijk gerechtigde, bedoeld in §1, op het ogenblik dat een nieuwe termijn van 12 maanden verstrijkt de belastingplichtige van de nieuwe belasting.
§3. Als één van de zakelijke rechten, zoals bedoeld in artikel 2 § 1.G., in onverdeeldheid toebehoort aan meer dan één persoon, geldt de onverdeeldheid als belastingplichtige. De leden van de onverdeeldheid zijn gehouden tot betaling van het verschuldigde bedrag naar rato van hun deel in de onverdeeldheid.
§4. Degene die een zakelijk recht, zoals bedoeld in artikel 2 § 2 F., overdraagt, moet de verkrijger ervan uiterlijk op het ogenblik van de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd. De instrumenterend ambtenaar dient de verkrijger van het zakelijk recht er voorafgaandelijk in kennis van te stellen dat het goed is opgenomen in de inventaris.
§5. Degene die het zakelijk recht overdraagt, is tevens verplicht om binnen de maand na het verlijden van de notariële akte, per aangetekend schrijven aan de administratie een kopie van de notariële akte over te maken. Deze kopie bevat minstens de volgende gegevens:
- naam en adres van de verkrijger van het zakelijk recht en zijn eigendomsaandeel.
- datum van akte, naam en standplaats van de notaris.
- nauwkeurige aanduiding van de overgedragen woning of van het overgedragen gebouw.
De instrumenterend ambtenaar kan ook de gemeentelijke administratie in kennis stellen van de overdracht en dit binnen de maand na het verlijden van de authentieke overdrachtsakte met vermelding van de datum ervan, de identiteitsgegevens van de eigenaar en zijn eigendomsaandeel.
Bij ontstentenis van deze kennisgeving wordt de overdrager van een zakelijk recht, zoals bedoeld in artikel 2 § 2. F., als belastingplichtige beschouwd voor de eerst volgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd.
Vrijstellingen.
Er kan een vrijstelling van de belasting worden verleend aan natuurlijke personen of rechtspersonen die een zakelijk recht, bedoeld in artikel 2 §1.G., uitoefenen over volgende bedrijfsruimten, die in de gemeentelijke inventaris zijn opgenomen:
§1. De bedrijfsruimte die eigendom is van de natuurlijke persoon waarvan de handelingsbekwaamheid werd beperkt door een gerechtelijke beslissing.
§2. De bedrijfsruimte die getroffen is door een ramp.
Deze vrijstelling geldt principieel gedurende 3 jaar vanaf de datum van de ramp. Het college kan deze termijn verlengen zolang het ingediende dossier niet is afgehandeld.
§3. De bedrijfsruimte die in de loop van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar, van eigenaar is veranderd.
Deze vrijstelling geldt gedurende 2 jaar vanaf de datum van de notariële akte van overdracht van eigendom.
Deze vrijstelling geldt niet voor overdrachten aan:
§4.
Deze vrijstelling geldt gedurende 2 jaar vanaf de datum van de stedenbouwkundige vergunning.
§5. De bedrijfsruimte waarvan het effectief gebruik onmogelijk is omwille van een verzegeling door een strafrechtelijk onderzoek of omwille van een expertise door een gerechtelijke procedure, vanaf het begin van de onmogelijkheid tot effectief gebruik tot 2 jaar na het einde van de onmogelijkheid.
Enkel de vrijstellingen, voorzien in dit artikel, zijn van toepassing. Vrijstelling van de heffing van het Vlaams Gewest betekent niet automatisch ook vrijstelling van deze belasting.
Deze vrijstellingen kunnen gecumuleerd worden, zodat de totale vrijstelling van de belasting beperkt blijft tot drie aanslagjaren.
§6. Het bedrijfsgebouw dat geheel of gedeeltelijk leegstaat ingevolge bedrijfseconomische omstandigheden, maar in goede staat wordt gehouden zodat het onmiddellijk in gebruik kan genomen worden. Deze vrijstelling geldt voor een periode van 1 jaar.
§7. De bedrijfsruimte waarvoor een aanvaarde vernieuwing geldt, overeenkomstig artikel 34 van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsgebouwen, laatst gewijzigd bij decreet van 22 juni 2012. Deze vrijstelling geldt voor een periode van 2 jaar.
§8. De bedrijfsruimte dat het voorwerp uitmaakt van een brownfieldconvenant, definitief gesloten overeenkomstig hoofdstuk III van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, voor zover de eigenaar actor is bij het brownfieldconvenant. Deze vrijstelling geldt tot aan de beëindiging van het Brownfieldconvenant, overeenkomstig artikel 10, § 3, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten. Op het einde van deze periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.
§9. De bedrijfsruimte dat het voorwerp uitmaakt van een door de OVAM conform verklaard bodemsaneringsproject overeenkomstig titel III, hoofdstuk V, van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming. Deze vrijstelling geldt vanaf de datum van de aanvraag van de opschorting tot aan de datum van de eindverklaring van de OVAM overeenkomstig artikel 68 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, evenwel met een maximumtermijn van 5 jaar vanaf de conform verklaring van het bodemsaneringsproject. Op het einde van deze periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.
Overgangsmaatregelen.
De bedrijfsruimten die overeenkomstig het Decreet opgenomen zijn in de inventaris van het Vlaamse gewest op het ogenblik van de invoering van dit reglement, worden beschouwd als zijnde opgenomen in de gemeentelijke inventaris, zoals bedoeld in artikel 2 § 1.G.
Invordering van de belasting.
De belasting wordt ingevoerd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
De belasting wordt ingevorderd door een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college.
Betaling van de belasting.
De belasting moet betaald worden binnen de 2 maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Bezwaren- en beroepsprocedures.
De belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger kan tegen een aanslag of een belastingverhoging een bezwaar indienen bij het college. De vestiging en de invordering van de belasting, evenals als van de geschillen terzake, gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure en latere wijzigingen.
Het bezwaar moet ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de 3de werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet. Het moet per aangetekende brief worden ingediend.
Binnen de vijftien kalenderdagen na de indiening van het bewaarschrift wordt een ontvangstmelding gestuurd naar de belastingplichtige en, in voorkomend geval, naar zijn vertegenwoordiger.
Tegen de beslissing van het college of bij gebrek aan een beslissing binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift (negen maanden als de betwiste aanslag ambtshalve werd gevestigd kan beroep worden ingediend bij de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen.
Andere algemene bepalingen.
Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008, met latere aanvullingen en wijzigingen, zijn de bepalingen van titel VII, hoofdstukken 6 tot en met 9 bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot en met 175 van het uitvoeringsbesluit van dat wetboek van toepassing, voor zover zij niet specifiek de belastingen op de inkomsten treffen.
De voorgaande raadsbesluiten in verband met het belastingreglement op bestrijding van leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten worden opgeheven.
Dit belastingreglement wordt voor aktename aan de toezichthoudende overheid aangemaakt.